DE SUIKERFABRIEK EN DE LIBERALE PARTIJ TE TIENEN

Wie de naam Tienen uitspreekt ... denkt aan SUIKER! In 1838 ontstonden gelijktijdig drie fabrieken:
een stokerij van aardappelmeel, - van suikersiroop en van graan. Ten gevolge van enkele fusies bleef in,1862 alleen de onderneming van Henri Vinckenbosch over, die onder de naam "VINCKENBOSCH & CIE" begon aan de grote uitbreiding van het bedrijf.

Rond deze tijd waren ook de eerste banden gesmeed met de LIBERALE PARTIJ. Toen Henri Vinckenbosch in 1874 stierf, liet hij zijn Raffinerie over aan Victor Beauduin, later ook burgemeester en werd de band tussen de Liberalen en de Raffinerie nog verstevigd. De suikerfabriek verschafte werk aan zowat 2.000 mensen, vooral in de periode van oktober, november, december. Een enorm aantal als men weet dat de stad toen geen 20.000 inwoners telde.
Ondertussen hadden de liberalen zich wel verzekerd van de steun van de suikerfabriek, een steun die ongetwijfeld wederzijdse voordelen bracht. De suikerfabriek, in 1850 nog een onbeduidend bedrijfje groeide uit tot de machtige "Raffinerie Tirlemontoise" die het economisch en sociaal leven te Tienen sterk zou beïnvloeden.
Toen in 1891 plots een vacuüm ontstond bij het stadsbestuur door het overlijden, kort na elkaar, van de pas benoemde burgemeester en eerste schepen, bereikte de toenadering haar hoogtepunt. Als nieuwe burgemeester schoven de Liberalen de directeur van de suikerfabriek, Victor Beauduin naar voren.

Twintig ingenieurs en zesendertig bedienden, werkzaam in de fabriek sloten meteen aan bij de Liberale Associatie. Ook de arbeiders schaarden zich achter hun werkgever.
Deze fabriek werd in 1894 een Naamloze Vennootschap, gevormd door de heren Paul en Franz Wittouck, dit na het overlijden van Victor Beauduin. Deze werd als afgevaardigde beheerder opgevolgd door Senator Lucien Beauduin, vice-voorzitter van de liberale Associatie.

Het Liberale gemeentebestuur en de patroons van de fabriek schoten goed met elkaar op. De enen zorgden voor welvaart en de anderen verleenden hieraan hun volledige steun.

In 1921 waren de financiële reserves van de Liberale Associatie uitgeput. Giften van leden en van de Raffinaderie vulden de tekorten aan. Vanaf dat moment werd de toestand steeds beter.

Julien Bergé, ingenieur in de suikerfabriek, lid van de Liberale Associatie, was één van de grootste propagandisten. Op 8 november 1903 had de stichtingsvergadering plaats van de maatschappij "HELP U ZELVE", H.U.Z."

Voorzitter van H.U.Z. was gedurende vele jaren Julien Bergé, intussen hoofdingenieur van de suikerfabriek geworden. Het hele hoofdbestuur was in handen van vooraanstaanden van de Liberale Associatie. H.U.Z. rekruteerde haar leden in de plaatselijke nijverheden, eerst en vooral in de suikerfabriek en bijvoorbeeld ook in de werkhuizen Gilain. De aangesloten arbeiders hadden zeker niet te klagen over de dienstverlening. De werkliedenmaatschappij van 1903 groeide uit tot een machtige organisatie die als steunpilaar fungeerde voor de grote macht van de Liberalen.
Eén derde van het bestuur van de Associatie was tewerkgesteld in de suikerfabriek.

H.U.Z. bleef in handen van en in het voordeel van de Liberale Associatie en de Raffinerie.
De enen behielden het bestuur en hun functies omdat de kiezers hun macht waren, de anderen moesten geen sociale onrust vrezen.

In 1921 werden de "Tiense Liberale Syndikaten" heropgericht. Onder de naam "Vrijzinnige Syndikaten" maakten zij deel uit van H.U.Z. Hun doelstelling was de toenadering tussen patroons en arbeiders te bewerken, om op die manier het lot van de arbeiders te verbeteren.

De arbeiders van de suikerfabriek sloten massaal aan bij deze Liberale organisatie die te kampen had tegen de machtige socialistische en katholieke vakbonden.

De invloed van H.U.Z. ging tot ver buiten Tienen.
In 1932 telde deze vereniging 35 buitenafdelingen en vlak voor Wereldoorlog 11 was hun aantal gestegen tot 43. Overal in het land werd in Liberale kringen getracht het voorbeeld van het Tiense succes te volgen, doch hetzelfde resultaat werd niet overal bereikt.
Tijdens de oorlog 1914-1918 had Tienen eveneens, als elders in het land geleden, zij het dan in veel mindere mate dan op andere plaatsen.

De Raffinerie was als grote suikerproducent een noodzakelijke schakel in de voedingssector, zodat de Tienenaars ongestoord hun job konden blijven verder zetten. Daarbij maakte de Raffinerie voldoende winsten om giften uit te delen om de grootste noden in de stad te lenigen.
Door deze actie werd de politiek van de Liberalen verder gezet, hetgeen een belangrijk propagandapunt werd bij de eerste na-oorlogse verkiezingen.

Bij het samenstellen van de Liberale lijst, voor de gemeente verkiezingen van 24. april 1921, speelde de Raffinerie dan ook een zeer grote rol. Met ruime financiële steun van de suikerfabriek verscheen het partijblad "DE GAZET VAN TIENEN". Het was het enige plaatselijke weekblad dat op dat ogenblik verscheen en het was alzo een belangrijk Liberaal propagandamiddel. Dit blad met specifiek stadsnieuws, aller- hande inlichtingen en reclame, werd door de lezers gretig gelezen. Vooral in de cafés bereikte men de grote massa en gaf het dikwijls aanleiding tot vinnige gesprekken en discussies onder de klanten. Men besefte dat de Liberalen mede door de hulp van de Raffinerie voor een zekere welstand zorgden in de stad.

Een week voor de verkiezingen werd een nieuwe vlag ingehuldigd. Over vier bladzijden gaf Julien Bergé een overzicht van het gelukkige bestaan dat de arbeiders van de Raffinerie genoten. Alle voordelen werden opgesomd. Dit merkwaardige document was doorslaggevend en bereikte zijn doel. De Liberalen behielden hun meerderheid.

In ruil voor morele en financiële steun aan de Liberale Partij, zorgde het gemeentebestuur dat de Raffinerie haar monopolie op de lokale arbeidsmarkt behield.

Voor de gemeenteraadsverkiezingen van 1926 spanden katholieken en socialisten samen om de Liberale meerderheid de kop in te drukken. Doch alle pogingen waren vruchteloos. Integendeel, de Liberalen verstevigden hun hegemonie. Twee weken na deze verkiezingen schreven de katholieken een open brief aan Bergé, bestuurder van de Raffinerie, waarin de intimidatie door de suikerfabriek van voor de verkie- zingen werd aangeklaagd.
De katholieken probeerden de Raffinerie te treffen in haar productie. Naast de ingevoerde grondstoffen draaide deze grotendeels op de aanvoer van suikerbieten uit de vruchtbare omgeving. Vele landbouwers waren aangesloten bij de katholieke boerenbond en meer speciaal nog bij het suikerbietensyndicaat.
Vanuit boerenstandpunt werd geëist dat de Raffinerie het suikerbietensyndicaat zou erkennen en er onderhandelingen mee voeren. Een tweede katholiek standpunt was dat de Raffinerie zich van elke politiek moest onthouden. De grote man achter deze actie was de katholieke senator, Louis Verheyden, uit het naburige landelijke Oplinter, tevens één van de leiders van de katholieke Associatie.
De meest geviseerde persoon was natuurlijk de toenmalige senator Lucien Beauduin, die echter alle steun verkreeg van de aandeelhouders, nl. de familie Wittouck.

Door het toenemen van de economische crisis van de dertiger jaren eisten de sociale troebelen opnieuw de meeste aandacht op. Bij de verkiezingen van 1932 was de kiesstrijd niet zo hevig als in 1926, nochtans richtten de oppositie partij en hun campagne grotendeels tegen de Raffinerie. De aanvallen op de suikerfabriek waren schering en inslag. De fabriek kreeg de volle la- ding.
Doch niets kon baten want de Liberalen boekten winst en wonnen zelfs een zetel bij. Het was ook zinloos in crisistijd de Raffinerie aan te vallen en verder te blijven bekogelen wegens haar rol in de gemeentepolitiek.

De suikerfabriek ondervond weinig hinder van de recessie. Ze zorgde ervoor dat de werkgelegenheid op peil bleef en dat de bevolking, zoals tijdens de oorlog, niet al te zeer in nood geraakte.

Langzamerhand begonnen katholieken en socialisten in te zien dat, in deze moeilijke tijden, kritiek op de Raffinerie overbodig was.
In 1938 stonden enkele vieringen op het programma die uitstekend pasten in de Liberale verkiezingscampagne.
In mei 1938 werd het honderdjarig bestaan van de suikerfabriek gevierd. De gebruikelijke feestelijkheden en de financiële voordelen onder de vorm van premies en verlof, die het personeel bij zulke gelegenheden kreeg, bleven niet achterwege. De Raffinerie be├»nvloedde andermaal de verkiezingen van 1938. Het werd een korte maar zeer scherpe verkiezingsstrijd. De socialisten voorspelden een zware nederlaag voor de Liberalen.

Buiten enkele algemeenheden en roddelpraatjes over enkele Liberale kandidaten was de traditionele aanval gericht op de Raffinerie. "De enige vrijheid die een werknemer in de suikerfabriek heeft is Liberaal te zijn", aldus de socialistische pers. Doch de liberalen hadden na de feestelijkheden rond de Raffinerie in mei, nog enkele sterke troeven in handen. Troeven die de laatste tegenstand ongetwijfeld zouden breken. De toenmalige Liberale voorman van de Raffinerie, Paul Kronacker, de latere minister, deed een warme oproep tot de kiezers om de Liberale meerderheid nog te versterken. En die versterking kwam er.

Na de gemeenteraadsverkiezingen volgde de mobilisatie van Belgische troepen in 1939 en voelde men sterk een nakende oorlog.

Het bondgenootschap tussen de Raffinerie en de Liberale Partij was een prachtige illustratie van de stelling dat de economische, sociale en financiële belangen mekaar in de politiek terug vinden.

Na de tweede wereldoorlog kende de Liberale Partij nog een zeer belangrijk hoogtepunt met als leider, Burgemeester Georges Dupont, ingenieur en algemeen secretaris van de Raffinerie.

Langzamerhand verzwakte echter de tussenkomst van de suikerfabriek in de plaatselijke politiek.
De katholieke en socialistische vakbonden werden maar steeds sterker en na 116 jaar ononderbroken Liberale volstrekte meerderheid, werd in 1964 deze meerderheid doorbroken. Nadat de heer Rolin-Jacquemijns, afgevaardigde beheerde van de suikerfabriek en tevens Liberaal Volk vertegenwoordiger in het jaar 1975 volledig van het toneel verdween was het gedaan met de samenwerking tussen de Raffinerie en de Liberale Partij.
Meer dan honderd jaar heeft deze samenwerking tussen beiden geduurd!
Alhoewel de Liberalen -vereenzelvigd met de Raffinerie en vooral door de socialisten de "KAPITALISTEN" genoemd , had de ganse bevolking er baat bij. Van de laagste stand tot de welstellendste handelaar had gedurende deze periode absoluut nie- mand van de Tiense bevolking te klagen. Er was werk, de handel bloeide en het stadsbestuur zorgde voor een aangenaam verblijf in een nette, milieuvriendelijke stad.

Emiel Gilis, 24/6/1988